#Accountancy #Cashflow #Features #Vennootschappen

Wat bepaalt de waarde van een bedrijf?

Paul Hermans 8 juni 2021

Wat bepaalt de waarde van een bedrijf?

De jaarrekening geeft alle détails over de gang van zaken van een bedrijf. Of toch niet helemaal: in de boekhouding kunnen sommige activa zoals gronden, gebouwen of effecten sterk ondergewaardeerd zijn.

Maar het echte probleem is dat er verschillende opinies zijn over wat de basis moet zijn voor de waardering. Is dat de winst? En zo ja, is het de nettowinst na belasting of de winst in een eerder stadium van de resultatenrekening? Men gaat frequent uit van de EDITDA. Maar winst, in welk stadium dan ook, is nog geen geld.

Daarom prefereren velen methodes die op de cashflow (het binnenkomende geld) gebaseerd zijn. Maar welke cashflow moet dat dan zijn: de basis cashflow, de operationele cashflow, de vrije cashflow of iets anders?

Hoeveel geld krijgt een overnemer van het bedrijf er weer uit terug? Wat is de terugverdientijd voor de koper?

Beleggers hebben dan weer de neiging om te kijken naar de dividenden en naar het eigen vermogen, een balanspost.

En dan zijn er de schulden: sommige bedrijven zijn schuldenvrij en andere zijn overladen met leningen. Nog andere financieren zich vooral met leverancierskrediet, dat telkens vernieuwd wordt.

Er is er ook nog de vraag of we naar de huidige situatie dan wel naar de toekomst moeten kijken. Een start-up die veel verlies maakt kan toch veel waard zijn door de gunstige perspectieven.

Naargelang het uitgangspunt is de ene of andere methode meer aangewezen.

Drie methodes om de waarde te schatten

1. Het aandeelhoudersrendement

Bij deze methode gaan we uit van het standpunt van de passieve belegger of stille vennoot. Ze is vooral geschikt voor bedrijven met stabiele cashflows die jaarlijks een dividend uitkeren. Het dividend kan een vast bedrag of een percentage van de nettowinst zijn.

De waarde wordt bepaald door enerzijds het eigen vermogen en anderzijds de stroom aan uitgekeerde dividenden.

Bij deze berekeningen worden multiplicators gebruikt die gebaseerd zijn op het aantal sterren dat de onderneming behaalt. Die sterren reflecteren de kwaliteit van het bedrijf.

Het eigen vermogen wordt gecorrigeerd door de boekwaarde van de balansposten te vergelijken met de marktwaarde ervan. Gronden, gebouwen of effecten zijn vaak ondergewaardeerd.

Anderzijds kan de eigenaar/zaakvoerder een overdreven bezoldiging hebben. Het overdreven gedeelte wordt bij de waardeberekening in rekening gebracht.

Bij deze methode gaan we aan de dividenden een hogere multiple toekennen dan aan het eigen vermogen. De waarde van het eigen vermogen hangt nog in de lucht. De dividenden worden ieder jaar effectief betaald. Wat jaarlijks in the pocket komt, is meer waard dan wat op de balans blijft staan.

Als een bedrijf teveel geld op de rekeningen heeft voor de normale activiteit dan wordt die buffer aan liquiditeiten bij de waarde bijgeteld. Het zijn beschikbare middelen die niet nodig zijn voor de normale voortzetting van de bedrijfsactiviteit en worden berekend volgens de volgende formule: 75 % van het bedrag aan geldbeleggingen + liquiditeiten verminderd met de financiële schulden en de overige kortlopende schulden. Buffer aan liquiditeiten = (50/58 - 43 - 47/48) * ¾

Als het bedrijf slechts een klein deel van de winst uitkeert en het grootste deel reserveert dan zal het aandeelhoudersrendement lager uitvallen dan in het omgekeerde geval. Deze methode is vooral geschikt voor winstgevende bedrijven die het grootste deel van de winst uitkeren als dividend.

2. De rentabiliteitswaarde

Bij deze berekening wordt de EBITDA vermenigvuldigd met een coëfficiënt die afhangt van de kwaliteit van de onderneming. Van deze uitkomst worden de financiële schulden afgetrokken. De EBITDA wordt eventueel gecorrigeerd met de overdreven bezoldigingen van de zaakvoerder.

Het grote voordeel van deze methode is de eenvoud. De multiplicator schommelt meestal tussen 3 en 7 en wordt in de praktijk bepaald door de markt en de sector.

De al dan niet uitkering van dividenden beïnvloedt het resultaat niet. De dividenden komen immers niet in mindering van de EBITDA of van de winst.

Opmerking: Deze twee methodes worden meestal per jaar berekend op basis van historische cijfers. Vervolgens wordt een gemiddelde over de jaren heen berekend, waarbij de ‘uitzonderlijke’ jaren kunnen weggelaten worden. Vaak wordt dan nog eens een gemiddelde van beide methodes genomen.

3. De huidige waarde van de toekomstige geldstromen

Deze methode wordt bijna altijd aangeduid met de Engelse benaming: Discounted Cash Flow (DCF).

De DCF-methode van waardering is internationaal de meest gebruikte. Ze wordt algemeen gebruikt om de waarde van beursgenoteerde bedrijven te berekenen.

Maar ook voor grotere KMO’s en voor alle groeibedrijven is de DCF-methode aangewezen, omdat ze vertrekt van de toekomst. Eerst wordt een businessplan opgesteld voor de volgende jaren.

DCF berekent vervolgens de toekomstige beschikbare geldstromen die de onderneming verwacht en verdisconteert die naar vandaag.

Ze geeft dus één enkele uitkomst over meerdere jaren.

Ze wordt beschouwd als complex maar met aangepaste software zoals die van Intellifin wordt alle rekenwerk automatisch gedaan. Het opstellen van het toekomstplan is eigenlijk het belangrijkste werk.

Om de toekomstige cashflows te kunnen berekenen vertrek je van een businessplan, waarin je een realistische inschatting maakt van de omzetgroei door hogere volumes en/of hogere prijzen. Uiteraard zal je ook de wijzigingen in het aantal personeelsleden, voorziene loonsverhogingen, nieuwe investeringen en leningen ingeven. Ook de groei of afname van voorraden, handelsvorderingen en leverancierskredieten is belangrijk.

Hier neem je de cashflow uit operationele en investeringsactiviteiten. Je vindt die terug in het cashflowschema van je plan. Dit wordt ook wel de vrije cashflow genoemd.

Het toekomstplan geeft de cijfers voor de vier volgende jaren. Voor de jaren daarna worden de cijfers constant gehouden. Verder in de toekomst kijken maakt de cijfers te onzeker.

Die toekomstige geldstromen worden teruggerekend naar hun actuele waarde door ze te verdisconteren tegen een rentevoet, die men de WACC noemt.

WACC staat voor ‘weighted average cost of capital’. Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met de rente op lange termijn maar ook met het hogere risico voor aandelen en het specifieke risico voor KMO’s in het algemeen en de beschouwde onderneming in het bijzonder.

Voor een bedrijf dat al dertig jaar lang bouwmaterialen produceert en een professioneel management heeft is het risico veel lager, dan voor de bakker om de hoek die geen opvolging heeft.

De WACC ligt meestal tussen 10% en 20%, maar kan hoger zijn. Hoe lager de WACC, hoe hoger de waarde.

Dezelfde argumenten gelden voor de duur van de berekening. Voor een kleine KMO zal dat meestal vijf jaar zijn.

Als je opteert voor de ‘eeuwigdurende’ geldstroom, dan zal je ook een relatief hogere WACC kiezen.

Welke methode gebruiken?

Voor KMO’s die stabiel zijn en veel dividenden uitkeren is de methode van het aandeelhoudersrendement aangewezen.

Voor andere rijpe KMO’s is de rentabiliteitswaarde het meest relevant.

Voor grotere bedrijven en groeibedrijven prefereren we de DCF-waardebepaling.



Wil je meer weten over de verschillende waarderingsmethodes binnen de Ondernemingsradar van Intellifin, neem even contact op voor een vrijblijvende toelichting: info@intellifin.be.

Nòg meer insights?

Een pleidooi voor de bespreking van de jaarcijfers

Kristel Hermans 23 april 2021

Onlangs vroeg ik in een webinar aan de aanwezige accountants: ‘Hoeveel keer per jaar zit jij samen met je klanten ?

Ik was content om te horen dat de meeste accountants minimaal één keer per jaar en dat zelfs een derde meerdere keren per jaar samenzit met hun klanten.

Dit is wat ik wil bereiken, samen met onze tool: dat ondernemers inzicht krijgen in hun cijfers én dat ze die krijgen van hun favoriete cijferberoeper.

Lees meer #Cijferbabbel #Accountancy #Adviseren

Club Brugge trekt dan toch niet naar de beurs!

Paul Hermans 25 maart 2021

Club Brugge trekt dan toch niet naar de beurs. Dit is voor ons de ideale aanleiding om even in de cijfers van Belgische topclubs te duiken. Het prestigieuze rapport “Deloitte Football Money League 2021” vermeldt dat de top 20 voetbalclubs in de wereld, samen 8,2 miljard euro gegenereerd hebben in het seizoen 2019/2020, wat een verschil maakt van -12% ten opzichte van het vorige seizoen, dat 9,3 miljard euro mocht optekenen.

Lees meer #Sectoranalyse #Cijferbabbel #Personeel #Trends